Logo voor de printversie
Datum: 07 november 2008

Energiestofwisseling

Als het lichaam ongeveer dezelfde hoeveelheid energie binnenkrijgt als het nodig heeft, zal het de energie uit het eten van die dag gebruiken. Of de energie meteen wordt gebruikt of later, bijvoorbeeld ’s nachts, hangt af van de energiebehoefte op dat moment. Is er direct energie nodig, dan gaan de koolhydraten meteen naar de organen die energie nodig hebben, gevolgd door de vetten. Als er voldoende energie beschikbaar is, slaat het lichaam in eerste instantie vet uit de voeding op in het vetweefsel. Ook kan het lichaam een kleine voorraad koolhydraten aanleggen in de vorm van glycogeen in lever en spieren. De opgeslagen energie wordt gebruikt zodra er weer energie nodig is.

Schommelingen

De mens is gemaakt om te overleven. Het lichaam is erop ingesteld tekorten aan energie te voorkomen. Als er een overvloed is aan eten, dan wordt het overschot in het lichaam opgeslagen als reservevoorraad in de vorm van lichaamsvet. Is voedsel schaars, bijvoorbeeld door een mislukte oogst of bij een hongersnood, dan kan deze voorraad worden aangesproken.

Onder normale omstandigheden schommelt de energiebalans van maaltijd naar maaltijd, van dag tot dag en van week naar week. De hoeveelheid energie die per dag wordt ingenomen, verschilt sterk tussen mensen maar ook bij één en dezelfde persoon. Over langere perioden - gemiddeld een week - nemen mensen met een constant lichaamsgewicht evenveel energie op als ze nodig hebben. Is de energie-inname op lange termijn hoger dan het energieverbruik, dan leidt dat tot gewichtstoename. Zo leidt bij vrouwen een overschot van gemiddeld 20 kcal per dag (de hoeveelheid energie in een klontje suiker) ertoe dat ze na een jaar een kilo zwaarder zijn.

Vetweefsel

Als er geen energie uit voedsel voorradig is, is het vetweefsel de belangrijkste energieleverancier voor de lichaamsfuncties. Gemiddeld hebben mannen en vrouwen ongeveer 10 tot 15 kilo lichaamsvet. Dit is voldoende om bij vasten een à twee maanden te overleven.

Daarnaast beschermt vetweefsel tegen afkoeling en fungeert het als ‘stootkussen’, zodat de inwendige organen niet zo snel letsel oplopen. Ook produceert vetweefsel diverse hormonen. Zo speelt leptine een belangrijke rol bij het aanpassen van het lichaam aan een periode zonder eten.

Vetweefsel bestaat voor circa 75 procent uit vet en voor circa 25 procent uit vetvrije massa. Die vetvrije massa bestaat weer voor ongeveer driekwart uit water en voor een kwart uit eiwit. Dit komt erop neer dat elke kilo vetweefsel goed is voor 7000 kilocalorieën aan energie. Iemand met 20 kg overgewicht heeft dus in totaal 140.000 kilocalorieën meer ingenomen dan hij of zij nodig had.

Hoeveelheid lichaamsvet

De BMI geeft een schatting van het gezondheidsrisico van het lichaamsgewicht. Hierbij is er een relatie met de hoeveelheid lichaamsvet, maar de BMI-waarden geven niet het percentage lichaamsvet aan. De hoeveelheid lichaamsvet is afhankelijk van het geslacht. Vrouwen hebben over het algemeen een hoger vetpercentage dan mannen.

De relatie tussen het percentage lichaamsvet met de BMI is voor Afro-Amerikaanse en blanke Amerikanen als volgt (Gallagher, Heymsfield et al. 2000= AJCN 72 (3) p.694):

Standaarden percentage lichaamsvet

Leeftijd

geslacht

ondergrens (BMI < 18,5 kg/m2)*

afkappunt
overgewicht
(BMI > = 25)

obesitas vanaf
(BMI >=30 kg/m2)**

Jong volwassen
(20-39 jaar)

vrouw

21

33

39

 

man

8

20

25

Middelbare leeftijd
(40-59 jaar)

vrouw

23

34

40

 

man

11

22

28

Ouderen
(60-79 jaar)

vrouw

24

36

42

 

man

13

25

30

*)  vetpercentages lager dan deze waarden worden niet aanbevolen.
**) deze vetpercentages corresponderen met een BMI van 30.